Habermas over Europa

.:.

Nog geen vijf eeuwen geleden, in 1516, werd hier in Amsterdam de Montelbaanstoren gebouwd. Dat was na aanvallen van de Geldersen op de Lastage. Nu kun je je een oorlog tussen Gelderland en Holland niet meer voorstellen. Nog voor het eind van de eeuw maakten het hertogdom en de graafschap deel uit van dezelfde statenbond, die trekken van een gewone staat had en die we kennen als de Nederlandse Republiek. En tegenwoordig leven de verkiezingen voor provinciale staten het minst van allemaal. Zou het met Europa ook zo kunnen gaan? Het is nog maar ruim zestig jaar geleden dat de laatste grote Europese oorlog eindigde, al moeten we de Balkan-oorlogen van de jaren negentig niet onderschatten. Maar een oorlog tussen leden van de Europese Unie kunnen we ons niet voorstellen.

De verschillen tussen de zevenentwintig lidstaten van de EU zijn in een aantal opzichten groter dan die tussen de zeven Duitse landjes die in de zestiende eeuw onverwacht één nieuw politiek verband vormden. De dialecten in de noordwestelijke hoek van het Duitse rijk verschilden nu ook weer niet zo ver van elkaar, zodat er zonder al te veel moeite een nieuwe taal kon ontstaan, meestal gewoon Duits genoemd, maar gaandeweg wel meer onderscheiden van wat men dan het Hoogduits noemde. Sinds de negentiende eeuw noemen we die taal meestal het Nederlands. De Romaanse, Germaanse, Slavische, Finoegrische, Baltische talen en de talen die buiten deze groepen vallen - het Grieks, het Maltees en het Iers, om ons maar tot nationale talen te beperken – binnen de EU liggen veel verder uit elkaar. Anderzijds kun je zeggen dat de modernisering juist weer veel gemeenschappelijks gebracht heeft. In veel opzichten lijken het Bulgarije en Zweden van nu toch meer op elkaar dan op de toestand in die contreien twee eeuwen geleden.

In een interview gaat de Duitse liberale filosoof Jürgen Habermas vandaag in op de toekomst van Europa, maar veel verder dan twee jaar wil hij daarbij niet vooruit kijken. Hij vindt dat de Europese Unie eerst haar eigen huis op orde moet brengen om regeerbaar te blijven, voordat ze zich verdere ambitieuze doelen kan stellen. Habermas denkt dat een verdieping van de instituties niet mislukt is door de afwijzing van veel burgers, maar aan de regeringen ligt. Hij meent dat er voor een verdieping van de Europese instellingen in de meeste landen op het Europese continent nog steeds zwijgende meerderheden bestaan. Daar kun je zo je vraagtekens bij stellen, lijkt mij. Natuurlijk, de rampzalige referenda in Nederland en Frankrijk waren vooral een uiting van goedkope dwarsliggerij van de meerderheid van de bevolking in die landen en gingen niet echt over het voorliggende verdrag – de meesten waren ook niet tegen de EU als zodanig -, maar het punt lijkt me dat Europa als realiteit wel dankbaar aanvaard wordt, maar te ver weg is om zich mee te identificeren.

De “enige uitweg” die Habermas ziet, lijkt me dan ook een paardemiddel. Hij pleit voor een Europa-breed referendum in 2009, tegelijk met de Europese verkiezingen in dat jaar. Hij noemt dat met een nogal uitgesleten uitdrukking “Demokratie wagen”. De Europese politieke partijen zouden een Europese verkiezingscampagne moeten voeren en met open vizier om elke stem voor of tegen de verdere opbouw van de Europese Unie moeten strijden. Tegelijk met zo’n referendum over meer effectieve procedures wil Habermas dan ook de vraag stellen of Europa een eigen direct gekozen president, een eigen minister van buitenlandse zaken en eigen financiële basis moeten krijgen. Als zowel een meerderheid van staten als van burgers hiervoor zou zijn, zo het voorstel aangenomen zijn. Maar het referendum zou dan ook alleen die staten binden waarin een meerderheid van de burgers voor deze hervorming stemt. Andere staten zouden zich later alsnog bij het centrum aan kunnen sluiten.

Op zich valt er voor zo’n model van centrum en periferie iets te zeggen. Een dergelijke procedure is ook al gevolgd bij het Verdrag van Schengen en bij de invoering van de euro. Maar hoe moeten we ons een direct gekozen president zo voorstellen? Is die dan alleen president van het verbond van centrumstaten? Het hele idee is al niet doordacht. Verstandige moderne staten – zoals Habermas’ eigen Duitsland – laten de bevolking geen president kiezen. Een soort voorzitter kun je zoals nu ook door de Europese Raad of desnoods door het Europese Parlement laten kiezen. Verkiezingen waar maar één persoon uit kan rollen, moet je mensen niet aandoen: verkiezingen hebben alleen zin als de verscheidenheid in representatie veel groter is. Mensen moeten ook echt iets te kiezen hebben. En om diezelfde reden staan ook referenda nogal op gespannen voet met de praktijk en het wezen van de democratie. Niet doen dus.

Maar dat idee van centrum en periferie is wel van belang. Je moet je dan alleen afvragen hoe het zit met de landen die niet met de hervormingen meedoen. Kun je Europese regelingen zo uit elkaar halen? Naast een meer effectieve kern-EU zou je dan voor landen die niet mee willen doen – zoals bij het grondwettelijk verdrag gold voor Frankrijk en Nederland - toch de oude EU nog houden? Of is het mogelijk die op een lager pitje voort te laten bestaan en ondertussen met het centrum verder te gaan? Het lijkt mij lastig om op allerlei gebieden alle regelingen dubbel te moeten uitvoeren. Technisch lijkt het me ingewikkeld, maar als het centrum duidelijke vooruitgang zou boeken, zou dat een aansporing voor de achterblijvers kunnen zijn alsnog mee te gaan doen. Of juist om tevreden te constateren dat het zo juist niet goed gaat – dat kan natuurlijk ook.

Habermas vergist zich nog ergens. Hij meent dat de diepere reden voor de verlamming van de verenigingsdynamiek, erin ligt dat de verschillende regeringen verschillende beelden voor ogen hebben van wat ze met de EU nastreven. Maar als dat al zo is, is dat dan een probleem? Waarom moet iedereen hetzelfde doel hebben om samen verder te komen? Het lijkt me juist dat de kracht gezocht moet worden in het verbinden van onderscheiden doeleinden met elkaar. Hier wreekt zich naar mijn idee toch weer dat Habermas een denker is die altijd op consensus en overeenstemming uit is en te weinig de waarde van pluralisme, dat hij uiteraard wel erkent, ziet. Habermas ziet al te graag dat mensen het eens worden. Dat was al zo in Strukturwandel der Öffentlichkeit uit 1961, zijn Habilitationsschrift, en hij heeft er nog steeds een handje van. Voor de dynamiek van de spanning of zelfs het politieke conflict toont hij altijd weinig oog.

De man is ook een onverbeterlijke romanticus. Tegen beter weten gelooft hij in het verstand van de bevolking en wantrouwt hij de regeringen. Het lijkt me toch wat realistischer om te denken dat de mensen die er meer vanaf weten en er meer bij betrokken zijn, ook een betere visie hebben

Gelukkig is Habermas wel zo realistisch om vast te stellen dat op het internationale toneel de nationale staten de belangrijkste actoren blijven. Maar ze moeten leren zich meer minder als zelfstandige actoren te zien en meer als leden van die zich verplichten voel om zich aan gemeenschappelijke normen te houden. Zo is het, maar dan zou je volgens mij de opbouw van de EU ook via de nationale regeringen en vertegenwoordigingen moeten doen en niet met allerlei vormen van directheid aan moeten komen waar de bevolking niet op zich te wachten.

Vijftig jaar Europa is natuurlijk een ongelooflijk succesverhaal, maar mensen beleven dat meer op het praktische niveau dan op het politieke niveau dat voor velen te abstract is. Zoals Gelderse en Hollanders zich niet meer voor kunnen stellen dat ze ooit tegen elkaar ten strijde zullen trekken, kunnen ook Fransen en Duitsers dat niet meer.

.:.

Europa, Semprun, Muschq

.

Voor Jorge Semprun heb ik altijd een zeker zwak gehad. Maar wat me van boeken als De grote reis, Frederico Sánchez groet u en Vaarwel heldere glans – ik noem de titels maar in het Nederlands, omdat ik de vertalingen en niet het originele Frans gelezen heb - vooral bijgebleven is, is niet de inhoud, maar de stijl, de uitgesproken repetitieve stijl. Wij, F. en ik, maakten ons daar wel eens vrolijk over, want die stijl had iets pathetisch over zich en er zat veel redundantie in en toch was het die stijl en de gedrevenheid die eruit sprak, die me bijgebleven is.

Vandaag staat er in De Groene een interview dat Aart Brouwer Semprun afnam. Semprun legt uit hoe hij op cultureel gebied telkens weer ervaart “hoe het bijzondere van een bepaalde cultuur tegelijk universele zeggingskracht heeft”:

“Om de hogere, ideële eenheid van verschillende naties en culturen te ontdekken en tot gelding te brengen in de politiek moeten we ons niet zomaar blindstaren op wat ons oppervlakkig bindt, op de zogenaamd kosmopolitische waarden en tradities die overal en nergens gelden. We moeten juist onze eigen nationale, traditionele taal en cultuur uitdiepen en steeds weer herontdekken. Het respecteren en celebreren van de eigen, particuliere culturele rijkdom is namelijk iets wat landen en volken bindt.”

Die observatie klopt. En toch. Een paar maanden geleden las ik ongeveer hetzelfde in het boek van Theo Brinkel over Zuid-Afrika, Nation Building and Pluralism. Keer op keer poneert Brinkel dat “the universal is expressed in the particular”. Het lijkt me op zich juist, maar wat bindt je binnen een staat als het universele alleen in al die bijzondere culturen te vinden valt? Een staat functioneert als het ook een communicatiegemeenschap is, en daarom heb je op nationaal niveau toch iets gemeenschappelijks nodig.

Juist daarom moet de Europese Unie niet op weg naar een bondsstaat, maar een statenbond blijven. In een bondsstaat heb je een uniform referentiepunt nodig, in een statenbond kan juist de onderlinge herkenning van het eigene het verbindende element vormen.

In NRC Handelsblad staat vanavond een interview met de bekende Zwitserse schrijver Adolf Muschq:

“Als de Europese politiek van zijn magie wordt ontdaan, zie je vooral de volhardende pogingen van staten om bondgenootschappen te smeden. Niets meer, maar ook niets minder. Maar naar elkaar toegroeien kan héél lang duren.”

Ook dat is waar. Muschq stelt voor om op een andere manier dan tot dusverre door te gaan met Europa:

“Laat Europa niet over aan de staatsrechtgeleerden. Haal er enkele heel goede schrijvers bij, die een paar kernpunten opstellen wat Europeanen bindt: burgerrechten en echte democratie in Brussel.”

Op dat punt vergist Muschq zich naar mijn idee. Die burgerrechten, dat is een goed punt, maar de burgers van al die staten zitten niet te wachten op meer democratie in een parlement dat in Straatsburg of Brussel zetelt. Dat is een stap te ver. Het bijzondere wordt veel beter gerepresenteerd door hun eigen regeringen in de Europese Raad.

Dat is de paradox. Het grote goed van Europa is dat al die landen democratieën zijn op hun eigen wijze en dat waarderen we ook onderling. Maar met elkaar hoeven we niet één grote democratie te vormen. Die maat is te groot. Met elkaar kunnen we een uitstekend bondgenootschap, een statenbond, vormen, waarin het universele juist in het bijzondere gevonden wordt. In een staatsgemeenschap of een democratie gaat dat niet. Daarin heb je een zekere eenheid nodig. Daarom geloof ik niet zo in pluraliteit in een staat als Zuid-Afrika, maar wel in Europa. Het gaat om de juiste balans tussen eigenheid en universalisme.

.

De veelvuldige identiteiten van Europa

Enkele jaren geleden schreef Bernard Lewis een klein, aardig boekje getiteld The Multiple Identities of the Middle East (London, Weidenfeld & Nicolson, 1998). Het aardige is dat hij niet zoekt naar een "essentie" van het Midden Oosten, maar juist heel pragmatisch uitgaat van wat we nu zo ongeveer onder het Midden-Oosten verstaan, en vervolgens per thema of levensgebied beschrijft, wat er zoal voorkomt. Dit hebben die en die groep gezamenlijk en dat hebben die en die groepering gemeenschappelijk - zo ongeveer. Na een eerste hoofdstuk over definities behandelt Lewis achtereenvolgens: Religion (2), Race and Language (3) - daarom vertaal ik niet, want ik weet nooit goed hoe je "race" in het Nederlands moet weergeven -, Country (4), Nation (5), The State (6) en dan nog Symbols (7), Aliens and Infidels (8) en Aspirations (9).

Ongeveer volgens hetzelfde patroon zou je ook een verhandeling over de veelvoudige identiteiten van Europa kunnen schrijven. Vanouds hebben veel verhandelingen de neiging naar zoiets als de "ziel" of de "identiteit" van Europa te zoeken en onzin is dat vaak niet. Maar dan gaat het eigenlijk altijd over het Latijnse Europa. Wat betreft de EU hield de relevantie van dat uitgangspunt al op in 1981, toen Griekenland als tiende lidstaat toetrad. Daarmee, kun je zeggen, werd al voordat de helft van het huidige ledental van 25 was bereikt, het ideaal van een Europa dat op een gemeenschappelijke cultuur was gebaseerd opgegeven ten gunste van een meer formeel ideaal.
Tegenwoordig is het dus veel handiger om van een pragmatische en formele bepaling van Europa uit te gaan. Het criterium is dan primair geografisch. Ook dan doet zich natuurlijk de vraag voor waar de grenzen liggen, maar in de praktijk is de vraag allang opgelost: Europa is gewoon het gebied dat door de Raad van Europa beslagen wordt.

In het oosten wordt geldt de Oeral weliswaar als grens, maar omdat Rusland daarover heengaat, is die grens verder niet zo relevant. Je zou kunnen zeggen: alles wat ten westen van de Oeral ligt is tenminste Europees en wat erover heengaat dus ook. In het zuidoosten geldt hetzelfde criterium: Turkije ligt slechts met een klein gedeelte op wat je het Europese schiereiland (van Eurazië) zou kunnen noemen, maar op grond daarvan telt het hele land mee en behoort dus geheel Turkije tot Europa. En dan is het probleem bij de Kaukasus vanzelf opgelost. Ook al ligt alleen Georgië tussen Rusland en Turkije ingeklemd en grenst Armenië alleen aan Turkije en Azerbeidjaan alleen aan Rusland - als is het me niet helemaal duidelijk of het in een soort vier landenpunt Turkije misschien toch nog net raakt - het heeft geen zin tussen deze drie landen te gaan onderscheiden.

Het is dus duidelijk dat er in principe 48 staten tot Europa in formele zin behoren: de 46 die al lid zijn van de Raad van Europa plus Wit-Rusland dat kandidaat-lid is en Vaticaanstad dat waarnemer is bij het Comité van Ministers. Een aantal daarvan is trouwens zo klein dat ze in een meer ondergeschikte rol in feite toch al tot de EU behoren: Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en Vaticaanstad. Het zijn overblijfselen uit een andersoortige territoriale indeling waarbij meer niveaus gebruikelijk waren.

Als je uitgaat van dit formele Europa kun je vervolgens een analyse volgens het stramien van Lewis maken. Wat betreft de religie kom je dan al uit op een driedeling, althans wat betreft de hoofdlijnen: de islam, het Byzantijnse christendom en het Latijnse christendom, al kun je je afvragen in hoeverre dat laatste fenomeen sinds de zestiende eeuw nog een eenheid vormde. En zo kun je op vele gebieden verder gaan. Wat betreft de talen kom je uit op een grotere diversiteit dan de drie grote taalgebieden van Slavische, Romaanse en Germaanse talen. Politiek kun je aan allerlei indelingen denken, maar voor de grote lijnen is het aardig om na te gaan wat de betekenis van de grote rijken was: het Litouws-Poolse, het heilige Romeinse en het Ottomaanse - en de latere opvolgers.

Volgend jaar is het trouwens tweehonderd jaar geleden dat het rijk dat het laatste van de geschiedenis zou zijn, toch stilletjes ten onder ging - niemand lette eigenlijk meer op de ondergang van het Romeinse Rijk. De laatste keizer had twee jaar eerder al een andere keizerskroon opgezet toen Napoleon aan de eenheid van het Latijnse Imperium een grotesk einde had bereid. Ach, zo hebben wij in 1815 in Nederland ook nog een koning gekregen: de Oranjes konden immers pas monarch worden in een orde waarin het Rijk niet meer bestond en de monarchie een nieuwe instelling was geworden.

maart 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31        
Neem inhoud van deze site over (XML)

Laatste reacties